Ontkoppel en verwijder alle externe apparaten
zoals printers, USB-stations en geheugenkaarten.
Schakel de computer in als deze nog niet aan staat en plaats de eerste herstelschijf die gelabeld is met Nr. 1.
Als de eerste schijf in het station is geplaatst en de stationslade is gesloten, schakelt u de computer uit door de aan/uit-knop
ingedrukt te houden.
Zet de computer aan. De computer opent het programma Recovery Manager.
In het scherm Systeemherstel
selecteert u Programma uitvoeren vanaf schijf
en klikt u op Volgende
. Het scherm van de Recovery Manager wordt geopend.
In het scherm Welkom bij de Recovery Manager
klikt u op Volgende
.
In het scherm Microsoft Systeemherstel
selecteert u Nee
. Klik op Volgende
.
Er verschijnt een ander scherm van systeemherstel.
Selecteer Ja
en klik op Volgende.
Als u geen back-ups van uw bestanden wilt maken, selecteer dan Herstellen zonder back-ups van uw bestanden te maken
en klik op Volgende
.
Lees en reageer op de vensters die verschijnen. Als in een venster wordt gevraagd een schijf te plaatsen, plaatst u de volgende schijf. In sommige gevallen moet u dezelfde schijf herhaaldelijk plaatsen voordat het venster u laat doorgaan.
Zodra het systeemherstel is voltooid, start de computer opnieuw op en gaat deze verder in de Windows-installatie. Voer de stappen in de installatieschermen uit en wacht totdat de computer de installatie voltooit. Schakel vervolgens de computer uit, sluit alle randapparaten opnieuw aan en schakel de computer in.
Update en beveilig uw computer voordat u deze gebruikt. Installeer eventuele antivirus- en beveiligingssoftware die voor het systeemherstel was geïnstalleerd opnieuw.
Installeer opnieuw alle softwareprogramma's die na het aanschaffen van de computer waren toegevoegd en bestanden waarvan een back-up is gemaakt.